Zij hebben een naam en leefden met ons
Ze heetten Soh Sung, Lobsang Dolma, Jacqueline Murekatete, Gary Graham en Mariano Navarro Huachaca. Hun namen kwamen voor in de rapporten van Amnesty International die in de jaren negentig vaak op woensdagochtend openbaar werden gemaakt. De Nederlandse omroepen, toen nog stevig verzuild, besteedden er gemiddeld twee minuten aan in hun nieuwsbulletins. Vooral gericht op de bolle feiten: hoeveel politieke gevangenen, hoeveel buitengerechtelijk executies en waartoe roept Amnesty de regering op? Alleen al het uitspreken van ‘buitengerechtelijke executies’ nam kostbare tijd in beslag.
Lobsang Dolma was een Tibetaanse non en ze was gevangen genomen door de Chinese regering. Om haar medegevangenen te kunnen bereiken, ze wat gerust te stellen, zong zij liedjes vanuit haar cel. Ze werd erom doodgeranseld. Haar verhaal kenschetste de situatie van de zwaar onderdrukte Tibetanen beter dan de cijfermatige feiten. Hoe onthutsend ook het gegeven dat China wel 68 redenen kende om de doodslag op te leggen, het persoonlijk verhaal van één mens vond onmiddellijk en ongehinderd z’n weerklank bij de luisteraar voor wie mensenrechten wezenlijk invoelbaar werden.
Ik heb het altijd de grootste kracht gevonden van Amnesty om juist de mensen om wie het ging een naam te geven, een gezicht als het kon, en hun persoonlijke situatie te beschrijven waardoor mensen haast als vanzelf in actie kwamen. Verontwaardigd, geschrokken en gedreven om ‘iets’ te kunnen doen. Al was het een kaart sturen naar een gevangene. Zoals naar Soh Sung die ik nooit meer vergeet.
Als 18-jarige student in Zuid-Korea had hij op straat folders uitgedeeld waarin de regering werd aangemaand de vrijheid van meningsuiting te respecteren. Soh Sung werd gearresteerd en uit angst zijn kameraden te verraden, poogde hij zichzelf in brand te steken op de trap voor het politiebureau. Een gevangenschap van 19 jaar volgde, waaronder zes jaar in eenzame opsluiting. Een welwillende gevangenenbewaarder gaf Soh Sung op een dag een ansichtkaart die aan hem was gericht: ‘Groeten uit Appelscha’ stond erop. Die kaart, vertelde Soh Sung, gaf hem de kracht om te overleven. Ergens in de wereld werd aan hem gedacht. Waar Appelscha lag, wist hij niet. Maar hij is er vele malen geweest in die 19 jaar.
het boek Conscience be my Guide van Geoffrey Bould, waarin getuigenissen van politieke – en gewetensgevangenen zijn opgenomen, heeft lange tijd naast mijn bed gelegen. In de negen jaar waarin ik Amnesty’s woordvoerder was, spookten de rapporten met verhalen over gevangenen nog wel eens door mijn hoofd. In Bould’s boek vertelden de slachtoffers hoe zij in gruwelijke omstandigheden erin slaagden hun geest in ‘vrijheid’ te houden. Hoe zij tijdens hun gevangenschap en de soms dagelijkse martelingen vasthielden aan hun persoonlijke overtuigingen en hoe hun gedachten daarbij vrienden werden die hen bij de hand namen.
Na zijn vrijlating bezocht Soh Sung de mensen in Appelscha die hem en zijn regering al die jaren onvermoeibaar hadden geschreven. En hij bezocht ons secretariaat, toen nog aan de Keizersgracht. Op een namiddag interviewde ik hem daar in de tuin waar hij mij vertelde over zijn jaren in gevangenschap. Zijn zwaar verbrande gezicht waarin geen wimper was teruggekomen, werd verlegen toen ik naar zijn toekomst vroeg. Soh Sung had nog nooit een vriendin gehad. Te jong toen hij gevangen genomen werd, te onttakeld naar zijn gevoel om er ooit nog een te krijgen. Dankzij het relief fund van Amnesty International werd Soh Sung datzelfde jaar nog behandeld in een kliniek in Kopenhagen, waar plastisch chirurgen hem vakkundig oplapten. En anderhalf jaar later lag er een ansichtkaart in mijn postvakje. Van Soh Sung die er een foto bij had gestopt waarop hij met zijn arm om de schouders van een Zuidkoreaanse stond.
Amnesty International heeft in haar 50-jarig bestaan miljoenen mensen bij elkaar gebracht.
Soh Sung, Lobsang Dolma, Jacqueline Murekatete, Gary Graham en Mariano Navarro Huachaca waren een Zuidkoreaanse student, een Tibetaanse non, een Rwandese activiste, een onschuldige zwarte jongen in een Amerikaanse dodencel en een vermoorde Peruaanse vakbondsleider. Zij hebben een naam en leefden met ons.
Maud Bredero
In de jaren 1990-1998 was Maud Bredero
woordvoerder van Amnesty Nederland.
Nu ben ik communicatie-adviseur
van de Utrechtse Burgermeester.
