Dotan doet het onmogelijke
Zondag was een van de bijzonderste dagen uit mijn leven. Ingrediënten: Dotans optreden op een indrukwekkend Nigeriaans volksfeest en een ontroerende muzikale verbroedering in een hotelbar in de kleine uurtjes na het concert.
Vanwege de regen was het herdenkingsconcert voor de slachtoffers van de Bundu-schietpartij verplaatst naar een grote hal. Toen we aankwamen was die al behoorlijk vol. Vrouwen dansten en zongen strijdliederen en er werden spandoeken opgehangen met Bundu Shooting Happened, en We Want Justice.
Bij kennismaking met de band bleek – eufemistisch gezegd – dat niet elk lid Dotans muziek even goed kende. De soundcheck werd dus repetitie, en de ritmesectie speelde met een iPod aan het oor. Anthony, Dotans begaafde gitarist en een van de aardigste jongens die ik ken, moest alles uit de kast halen om iedereen in de pas te laten lopen. Wat hielp was dat bandleider Dickson op het podium in niets meer de bedachtzame muziekprofessor was van eerder. Maar vooral Dotan toonde zijn ware artiestenaard: hij begroette het publiek in pidgin-Engels, sprak op indrukwekkende manier zijn steun uit voor hun strijd en kreeg het publiek massaal achter zich, en achter zijn muziek. Na afloop van zijn hit ‘Where we Belong’, dat hij aan de bewoners van de Waterfronts opdroeg, begroette hij de traditionele, kleurrijk geklede chiefs. De zaal ging uit zijn dak.
Er traden ook dansgroepen op, volksmuziekgroepen en een onverstaanbare maar daardoor blijkbaar niet minder grappige komiek. De grote namen op het affiche waren een bling-bling rapper uit Lagos en nationale volksheld en ‘Port Harcourt boy’ rapper Duncan Mighty. In de voorbereiding hadden die zich laten zien als onvoorspelbare en verwende artiesten die zich vooral druk maakten over de grootte van hun gevolg en hun business class-tickets.
Deze Duncan Mighty bracht ons ‘s nachts tot diepe ontroering.
We praatten na afloop van het concert in de hotelbar. De krakkemige drum, de overstuurde bas, de gebrekkige voorbereiding: ik realiseerde me dat we van Dotan en Anthony bijkans het onmogelijke hadden gevraagd. Wat echter overheerste was de tevredenheid met het enthousiaste publiek en de diepe bewondering voor hun vakmanschap. In die ontspannen sfeer pakte Anthony zijn gitaar. Dotan begon te zingen. Prince Peter, een jong slachtoffer van de huisuitzettingen in Njemanze twee jaar geleden, viel in. Hij had een mooie gruizige stem. Andere gasten kwamen erbij staan en zongen eerste of tweede stem. Het hotelpersoneel maakte foto’s. De filmploeg werd bijgestaan door gasten die met hun laptops bijlichtten. Adembenemend.
En plots was daar Duncan Mighty. Hij groette Dotan, ging zitten en zong met hem een duet. En voor onze ogen veranderde hij van stoere rapper, druk met zijn imago, in een lieve jongen uit de volkswijken van Port Harcourt. In de kleine uurtjes hield Duncan Mighty tot slot een indrukwekkend en kwetsbaar betoog over zijn eigen achtergrond als sloppenjongen. Hij zei geïnspireerd te zijn door Dotan en de campagne die in Port Harcourt wordt gevoerd: ‘Ik maak een diepe buiging voor jullie allemaal.’
Ik wist die avond zeker: ook muziek is machtiger dan het zwaard.
