China als vaandeldrager van mensenrechten
Hoe ziet de wereld er in 2030 uit? Niemand weet ‘t, velen hebben vermoedens. Bijvoorbeeld dat er andere grootmachten zijn. Maar welke? De BRICS worden vaak genoemd: Brazilië, Rusland, India, China. De ‘S’ waarop BRICS eindigt is soms een meervoud ‘S’, soms staat-ie voor Zuid-Afrika. BRICS is de bekendste, maar er zijn ook andere groepen opkomende economieën. Zoals MIKT die bestaat uit Mexico, Indonesië, Korea en Turkije.
De N11 is ook zo’n groep. Deze bestaat uit de MIKT-landen plus Bangladesh, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan, Filippijnen en Vietnam. Dit lijken misschien wat wilde rijtjes. Maar bedenk eens dat bevolkingsomvang een indicator is voor het economisch potentieel van een land (niet per se voor de huidige economische kracht). Bedenk daarbij dat bijvoorbeeld Nigeria in 2050 naar verwachting in de top vijf staat.
Het is niet zo’n vreemde gedachte dat over 40 jaar een land met 300 miljoen relatief jonge inwoners, rijk aan olie en andere grondstoffen en gelegen op een continent dat economisch groeit het beter zal doen dan een land met 16,5 miljoen vergrijzende inwoners op een economisch neergaand continent.
BRICS en MIKT zijn uitvindingen van Goldman Sachs. Het weekblad The Economist introduceerde een eigen rijtje opkomende economieën. En dan noem ik nog de E7 van PricewaterhouseCoopers: E7 = BRICS + MIKT – Korea – Zuid-Afrika.
De rijtjes verschillen onderling wel, maar niet veel. Bankiers, journalisten en accountantskantoren schetsen ons dus overeenkomstige toekomstbeelden als het om economische grootmachten gaat.
Wanneer zullen deze landen tot de gevestigde grote economieën gerekend worden? De voorspellingen verschillen, maar liggen meestal ergens tussen 2020 en 2050. Volgens PricewaterhouseCoopers zullen de E7 in de komende twintig jaar de G7 economisch inhalen. Natuurlijk zijn tegen die tijd de BRICs of zo’n andere groep niet alleen economische machten, maar ook politieke grootmachten. Dat gaat samen.
De staatshoofden van de BRICS (met de ‘S’ van Zuid-Afrika deze keer) houden sinds 2009 jaarlijks een eigen topontmoeting. En daar gaat het niet alleen over economie, maar ook over politiek.
Op de top in Delhi eerder dit jaar noemde de Chinese president Hu Jintao de BRICS een ‘stimulans voor de wereldvrede’. Over de Veiligheidsraad heb ik hem dat nooit horen zeggen. Op diezelfde top pleitten de vijf opkomende wereldleiders voor een dialoog met het Syrische bewind en waarschuwden zij het Westen geen oorlog te starten met Iran vanwege ’s lands nucleaire ambities.
Naar analogie van de permanente leden van de Veiligheidsraad die bekend staan als de P5, kunnen wij de BRICS binnenkort aanduiden als de B5.
In de geschiedenis zijn vaker nieuwe grootmachten opgekomen en andere neergegaan. Eén van de vragen die dan speelt is of de nieuwe grootmachten het bestaande internationale systeem met de bestaande regels, normen en instituties overnemen of vervangen. Anders gevraagd: zijn de nieuwe machten slechts nieuwe spelers of zijn het zogenaamde ‘game changers’? Nieuwe spelers willen permanent lid worden van de Veiligheidsraad; ‘game changers’ negeren de Veiligheidsraad permanent.
Ook nu in de komende decennia de Atlantische wereld veel macht en invloed zal moeten afstaan is dat een belangrijke vraag. Zijn de B5 nieuwe spelers of ‘game changers’? Zelf zetten zij in op dat laatste. Ze zullen de regels van het internationale systeem willen veranderen.
Eén van die bestaande regels is de toenemende relativering van nationale soevereiniteit die het huidige internationale systeem sinds de oprichting van de VN heeft gekend. Het internationale mensenrechtenregime is daarvan een duidelijk voorbeeld.
Hoe staten binnen hun eigen grenzen met hun eigen burgers omgaan is tegenwoordig niet alleen meer hun eigen aangelegenheid. Schending van mensenrechten leidt tot internationale bemoeienis, van diplomatieke vragen tot ongevraagd gewapend ingrijpen.
Als in 2030 de B5 de spelbepalers in het internationale systeem zijn, is de kans groot dat zij terug willen naar een heel oude regel: géén inmenging in binnenlandse aangelegenheden, niet eens als het om Syrische toestanden gaat. Martelingen, ‘verdwijningen’, doodstraffen en oneerlijke processen zijn dan weer een kwestie van ‘lands wijs, ’s lands eer.’
Zo’n regel zou een spelbreker zijn voor de internationale bescherming van mensenrechten. Die leeft als het ware van inmenging, zij het bij voorkeur niet gewapende.
Als Nederland in zijn buitenlands beleid duurzame bevordering van mensenrechten voorstaat, dan zal niet alleen verbetering van de mensenrechtensituatie ín Rusland, ín China en ín India daarvan deel moeten zijn. Dat Nederlandse beleid zal ook een Russisch, Chinees en Indiaas buitenlands beleid moeten bevorderen waarin die landen mensenrechtenbescherming centraal stellen.
Internationale bescherming van de rechten van de mens vereist dat Rusland, China en India in de komende decennia de vaandeldragers van de mensenrechten worden. Dat is een misschien een raar idee, maar we zullen het serieus moeten nemen.
Een strategie voor deze doelstelling is er nog niet. Maar moet er wel snel komen. Echte Europese samenwerking op het terrein van buitenlands beleid is hiervoor een voorwaarde, maar zal niet voldoende zijn. Heel het diplomatieke, politieke en economische gewicht dat de lidstaten van Europese Unie in beginsel kúnnen samenbrengen zal nodig zijn. Als Brussel niet de motor wordt achter deze agenda, zal de internationale bescherming van mensenrechten in de komende decennia snel afkalven. Nederland zal op z’n minst moeten proberen de Europese partners hiervan te overtuigen. En om dat geloofwaardig te doen blijft een eigen zichtbaar en assertief mensenrechtenbeleid noodzakelijk.
Duurzame en effectieve internationale mensenrechtenbescherming komt in 2030 uit Brussel, maar vooral Beijing en New Delhi, als Den Haag zich tot die tijd daarvoor inspant. Succes is niet verzekerd, maar het is het proberen waard.
(Column uitgesproken in het Grote Balie Buitenlanddebat op 30 augustus 2012)
