Amsterdam, 30 augustus 2040.
Ik herinner het me nog als de dag van gisteren: het moment dat ik werd gevraagd om minister van het nieuwe superministerie van ELIBUZA te worden. Ik hoefde er niet lang over na denken, ik zei meteen ‘ja’.
Onder het tweede kabinet Rutte, dat in 2013 tot stand kwam, was besloten om het buitenlandse beleid nog steviger te verankeren in de Nederlandse economie, en om daartoe het deftige ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn geheel te laten opgaan in het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. Zo ontstond ELIBUZA.
Buitenlandse belangen werden vanaf toen vooral gezien als Nederlandse economische belangen in het buitenland. Ik vond dat een gezond en realistisch besluit. Het ging ons economisch zo slecht dat we internationaal gewoon te zwak stonden om ons te kunnen inzetten voor zoiets als de verdediging van de mensenrechten.
Helemaal vallen lieten we de mensenrechten niet: we baseerden ons voortaan op een theorie die al langer de ronde deed op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Die theorie luidde grofweg zo: we lopen in China tegen een blinde muur aan als we beginnen over de mensenrechten. China luistert gewoon niet, en daarmee is de hele mensenrechtendialoog verworden tot een rituele dans. Die kunnen we doorbreken door niet langer uit te gaan van wat wij zelf belangrijk vinden, maar door in te spelen op de behoeftes die er in China zelf leven, op zaken waarvan ook de Chinese overheid vindt dat ze verbetering behoeven.
We zetten bijvoorbeeld samenwerkingsprojecten op voor het trainen van Chinese rechters, want dat is haalbaar en nuttig. We zien af van de directe confrontatie met China op die punten waarvoor China toch ongevoelig blijkt.
Die theorie paste bij het idee dat mensenrechten toch al lang niet meer als universele, maar als typisch westerse waarden werden gezien, zowel door China als door ons.
Van grote invloed op mijn besluit was ook dat de meeste EU-landen een vergelijkbaar standpunt innamen. Als wij als Nederland maar eenzijdig bleven hameren op die mensenrechten, dan stelde ons dat ten opzichte van andere Europese landen gewoon op achterstand. Onze nieuwe boodschap was helder: China had het recht om zelf te bepalen hoe het met zijn eigen bevolking omging, wij in Europa konden niet langer de arrogantie hebben dat we wisten wat goed was voor China. Zeker niet omdat die arrogantie ons ook steeds meer direct in onze portemonnee kon raken. China was tenslotte geen economische dwerg als Birma of Zimbabwe.
De Verenigde Staten waren woedend over mijn besluit. Clinton belde me persoonlijk om te vertellen dat we daarmee niet alleen de universele waardigheid van de mens te grabbel gooiden, maar ook om me te waarschuwen voor de gevolgen. China zou ons niet langer serieus nemen, zei ze. Ik moest lachen toen ik dat hoorde: China zou ons vanaf nu juist veel serieuzer nemen en ons veel meer gunnen, zeker ook op economisch vlak. Daarvan was ik overtuigd.
Ook uit kringen rond de Chinese Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo bereikten mij protesten. Zij wezen me erop dat ik de dissidente beweging in China ernstig zou ondermijnen met mijn besluit. Als zelfs het Westen liet blijken dat de mensenrechten als het erop aan kwam niets meer waren dan een luxespeeltje in tijden van economische overvloed, hoe moesten zij de Chinese leiders er dan nog van overtuigen dat mensenrechten juist een universele sleutel tot stabiliteit konden zijn, en dat een systeem op den lange duur veel beter kon overleven als het zich omvormde tot een volwaardige rechtsstaat?
Dat deel van China dat vond dat China zich assertiever en agressiever moest opstellen tegenover Europa, voelde zich juist gesterkt. Europa toonde er in hun ogen mee aan hoe zwak het zich voelde. Als Europa bereid was om op dit punt toe te geven,dan zou het ook op andere punten vast wel gevoelig blijken voor Chinese druk.
Dat zij er zo over dachten, hadden wij niet verwacht. Waar wij hadden verwacht dat China ons met meer respect zou behandelen, nam het Chinese respect voor Nederland juist af. Clinton kreeg dus gelijk.
Mijn besluit had nog een effect dat ik niet had voorzien. Dat de rechtsstaat, voor zover aanwezig in China, zou verzwakken, hadden we wel voorspeld. Maar de concrete gevolgen voor de Chinese economie van zo’n zwakke rechtsstaat hadden we veel minder goed ingecalculeerd. De kloof tussen arm en rijk nam toe. Boeren en woningbezitters konden zich moeilijker verweren tegen de onteigening van hun land of woning, journalisten hadden nog minder mogelijkheden om economische misstanden, corruptie aan de top of milieuschandalen aan de kaak te stellen. Kleine ondernemers konden minder doen tegen afpersing door de politie. De middenklasse ontwikkelde geen politiek stemgeluid, het werden geen geëmancipeerde burgers, maar meer en meer mensen zonder enige burgerzin die leefden in de cocon van gezin en werk.
De spanningen tussen arm en rijk namen toe en kwamen steeds vaker tot uitbarsting. In China dreigde instabiliteit, en instabiliteit in China zou ook leiden tot de instabiliteit in de wereld. China raakte steeds meer geobsedeerd door het met man en macht voorkomen van chaos en onlusten. De veiligheidsdienst maakte een ongekende groei door.
In Nederland zelf leek mijn besluit in het begin alleen maar gunstig uit te pakken. De Chinese investeringen in Europa namen toe ten koste van de investeringen in de VS en de Nederlandse economie trok weer aan. De banden met China werden inniger. We hadden China toen nog veel te bieden, niet alleen met onze havens en logistiek, maar ook wat betreft hoogtechnologische kennis waarvoor China zeer veel belangstelling had. Ik was een populaire minister bij het Nederlandse bedrijfsleven en een graag geziene gast in China.
Maar Chinese bedrijven begonnen zich, toen ze eenmaal onmisbaar waren geworden voor onze economie, steeds meer te bemoeien met de manier waarop onze samenleving was georganiseerd. Waarom was het bijvoorbeeld nodig dat onze media zo negatief berichtten over het feit dat Nederlanders wel als werknemers, maar niet als directeuren gewenst waren binnen Chinese bedrijven? Konden er geen regels komen die voorschreven welke onderwerpen wel, en welke onderwerpen niet behandeld mochten worden door de media? En was het niet mogelijk om China-vijandige elementen in de samenleving preventief in hechtenis te nemen?
Ik zag uiteraard niets in die Chinese plannen, die zeer indruisten tegen de principes van onze rechtsorde. Toch moest ik op steeds meer punten toegeven. We konden ons als Nederland gewoonweg niet veroorloven om China weg te jagen: onze technologie kende voor China allang geen geheimen meer, en ook Piraeus en Antwerpen waren mooie Europese havens. Wij waren inmiddels veel afhankelijker van China dan China van ons.
In onze maatschappij was iets geslopen dat maakte dat de mensen zich niet helemaal vrij meer voelden. Maar ja, wat konden we doen? Ook nam de ongelijkheid tussen arm en rijk in Nederland zelf toe, en ook onze burgers verloren hun laatste restje interesse in de politiek.
Nu ik dit zo opschrijf, moet ik opeens denken aan een vergeten dichtregel uit een vergeten oorlog. Lang geleden, toen ik nog student politicologie in Amsterdam was, fietste ik vaak langs het Weteringplantsoen. Daar stond: “Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.” Die tekst is inmiddels weggehaald op verzoek van de Chinese eigenaren van Heineken, dat zijn kantoor direct aan het plantsoen heeft. Ze vonden niet dat de dichtregel significant bijdroeg aan de stabiliteit van Amsterdam.
Over de auteur:
Garrie van Pixteren is als Chinadeskundige verbonden aan Instituut Clingendael en als docent Journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Eerder was zij correspondent in China voor NRC Handelsblad en de NOS.
Reacties