Author Archive

Goodbye Kabul

De enige internationale operatie die in Afghanistan sneller gaat dan gepland is de uitvoering van de exitstrategie. Iedereen lijkt wat eerder weg te willen, als van een feestje dat nooit helemaal op gang kwam. ’t Liefst ook stilletjes, zonder militaire kapel. Het Afghaanse leger, de Afghaanse politie en eigenlijk de hele Afghaanse overheid schijnen, na jaren van geklungel, gestuntel en gerommel, tegenwoordig met de dag competenter te worden en ’t zeer binnenkort allemaal alleen af te kunnen. Nou ja, hooguit blijven er na 2014 wat internationale adviseurs.

Dat is interessant want er vallen bij het geweld in Afghanistan jaarlijks nog duizenden slachtoffers. Honderdduizenden zijn nog steeds binnenlands ontheemd en meer dan twee miljoen Afghanen leven nog als vluchteling elders.

Op de jaarlijkse corruptie-index van Transparancy International bungelt Afghanistan consequent onderaan. In de vrijhedenindex van Liberty House scoort Afghanistan al sinds 2009 jaarlijks even consequent een 6 (Not Free). Op die index is 7 de slechtst haalbare score. Dus is Afghanistan in de afgelopen tijd toch een beetje vooruit gegaan? Helaas, in 2008 scoorde het een 5, dus beter dan de afgelopen vier jaar.

Bij de parlementsverkiezingen in 2010 en bij de presidentsverkiezingen een jaar eerder werden massa’s stemmen ongeldig verklaard. In beide gevallen was dat mogelijk  zo’n slordige 20% van de uitgebrachte stemmen. Ik houd een slag om de arm, want weinig verkiezingscijfers zijn zeker; zelfs het aantal geregistreerde kiezers en de opkomst­percentages werden betwist. Negen jaar na de Amerikaanse inval was Afghanistan dus nog een wat rommelige democratie, op z’n zachtst gezegd. We moeten vast geloven dat, terwijl de internationale gemeenschap z’n biezen pakt, de presidents­verkiezingen in 2014 wel goed zullen verlopen en in 2015 de parlementsverkiezingen met war lords en andere onkreukbare kandidaten nog eerlijker.

Volgens een scorekaart van Amnesty International uit 2011 liet de bescherming en bevordering van mensenrechten in Afghanistan voornamelijk stagnatie zien. Begin dit jaar meldde UNAMA, de VN-operatie ter plekke, dat in de periode tussen oktober 2011 en oktober 2012 foltering nog veelvuldig voorkwam in Afghaanse detentiecentra en dat het aannemelijk is dat meer dan 30% van de gevangenen die door de internationale troepen worden overgedragen aan Afghaanse autoriteiten vervolgens onderworpen wordt aan foltering. Er bestaat een vergelijkbaar UNAMA-rapport over de periode tussen oktober 2010 en oktober 2011. De afgelopen twee jaar schortte ISAF-troepen meer dan eens gevangenenoverdracht aan nationale autoriteiten op wegens foltergevaar.

Tot zo ver een snapshot van meer dan tien jaar democratiebevordering en rechtsstaatopbouw in Afghanistan.

Toch is voor de internationale gemeenschap de tijd gekomen om te vertrekken. Ook Nederland houdt de politietrainingsmissie in Kunduz iets eerder voor gezien dan eerder was voorzien. Dat komt omdat het Duitse leger wat eerder weggaat en dat leger zorgt voor de veiligheid van de Nederlandse trainers. Trainen onder lokale bescherming valt blijkbaar niet aan te raden. Zo competent is het Afghaanse staatsapparaat nou ook weer niet.

Ondertussen blijven de berichten aanhouden dat het gewapende Afghaanse verzet steun krijgt vanuit en bases heeft in Pakistan. Waarom Pakistan dat toelaat? De aartsrivaal van Pakistan, buurland India, steunt de Afghaanse regering. Links en rechts op de wereldkaart meent Pakistan dus vijanden te hebben, terwijl de oude bondgenoot VS het tegenwoordig goed kan vinden met India. Vanuit Pakistans perspectief tijd voor een potje destabiliseren. Onderwijl blijft de VS ook Pakistan militair wat steunen, om te zorgen dat Pakistaanse hulp aan de Taliban of andere gewapende oppositiegroepen in Afghanistan niet de spuigaten uitloopt. Dus vragen sommige Afghanen zich af aan welke kant de VS nu eigenlijk staat, aan die van president Karzai of aan de kant van zijn gewapende uitdagers? De president zelf schijnt een dezer dagen bij het eerste bezoek van de nieuwe Amerikaanse minister van Defensie Chuck Hagel gezegd te hebben dat de Taliban en de VS beide zijn land destabiliseren.

Het Afghaanse leger moet straks de veiligheid garanderen waar de NAVO daar niet of maar nauwelijks in slaagde. En als ik militair historicus Fred Kagan mag geloven moet het Afghaanse leger dat na 2014 doen zonder tanks, gevechtshelikopters en gevechtsvliegtuigen. Zou dat lukken?

Het is met de veiligheid, de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten niet veel geworden in Afghanistan. Althans, daar heeft het toch wel heel veel schijn van. Het valt te hopen dat regeringen en parlementen, ook in Nederland, de komende jaren precies willen weten hoe dit zit en lessen willen leren uit tien jaar oorlog en/of rechtsstaatopbouw met ogenschijnlijk weinig resultaat en heel veel menselijke, materiële en politieke schade. Deze maand dertig jaar geleden startte in Den Haag om heel wat minder een parlementaire enquête: de neergang van een gesubsidieerde scheepswerf.

Maar misschien is het politiek niet opportuun om nog langer bij deze lange oorlog stil te staan. En kijken we bij het verlaten van Afghanistan straks allemaal alleen vooruit. Niet omdat dat verstandig is, maar omdat achteruit kijken zo vreselijk pijnlijk is. Goodbye Kabul. ’t Ga jullie goed, maar die kans is niet groot.

11

03 2013

Moordhof?

Moet er een speciale Amerikaanse rechtbank komen om ‘targeted killings’, beter bekend als drone-aanvallen, juridisch te toetsen? Dat is een vraag die beleids- en opiniemakers in de Verenigde Staten al een paar maanden bezighoudt.

In binnen- en buitenland neemt de kritiek op het ‘targeted killings’-beleid van president Obama toe. Onder president Bush werden Amerikaanse vliegtuigen nog erop uit gestuurd om terrorisme­verdachten te ontvoeren. Tegenwoordig vliegen de drones uit om die verdachten te doden. Willekeurige vrijheidsberoving van overheidswege lijkt dus te zijn vervangen door opzettelijke doodslag met voorbedachte rade. Het begint zo hier en daar te dagen dat dit, juridisch beschouwd, niet per se vooruitgang is.

Bovendien is het systeem van informatievergaring en besluitvorming achter de huidige presidentiële hitlijsten minstens zo intransparant als het systeem waarmee in de tijd van Bush, Cheney en Rumsfeld mensen werden geselecteerd voor een gratis CIA-vlucht naar een geheime gevangenis met speciale behandeling of naar Guantánamo. Sommige van die gevangenen kregen na verloop van jaren en weliswaar tegen de wil van de toenmalige regering nog de kans om hun vrijheidsontneming te laten toetsen door een rechter. Maar aan die drones komt vooralsnog geen rechter te pas. Dat wringt.

Sommige commentatoren en critici hebben voorgesteld de ‘targeted killings’ vooraf te laten toetsen door een speciaal hof  –sceptici zouden het een moordhof kunnen noemen–  zoals er ook een speciale rechtbank is die toestemming moet geven voor het afluisteren van Amerikaanse burgers in aangelegenheden van nationale veiligheid. Ik ken het speciale afluisterhof (FISA Court) niet zo goed, dus mij past hier enige terughoudendheid. Toch is er ten minste één aspect dat mij aan dit voorstel verbaast.

Afluisteren is een opsporingsmethode. Het is een ingrijpende methode en dus is het niet vreemd dat de instanties belast met opsporing van terrorisme en bedreigingen van de nationale veiligheid door buitenlandse actoren of hun handlangers in de VS toestemming van de rechter moeten hebben om deze methode in te zetten. Dat het doelwit van de luistervinkerij daarover niet vooraf wordt geïnformeerd valt te begrijpen. Zou de overheid hem of haar wel verwittigen van de inzet dan zou deze opsporingsmethode weinig opleveren. Bovendien, als blijkt dat op Amerikaanse bodem misdrijven worden gepleegd, dan zullen die volgens de gangbare Amerikaanse strafvordering in een doorgaans openbare rechtszaak worden vervolgd.

De praktijk zal wel minder fraai zijn, maar dit lijkt mij in grote lijnen een beschrijving van de theorie. Dan heeft het er alle schijn van dat de vergelijking tussen het bestaande afluisterhof en het voorgestelde moordhof niet opgaat.

De drone-aanvallen zijn geen opsporingsmethode, maar eerder te vergelijken met de tenuitvoerlegging van een vonnis. Ook als er een heus hof aan te past komt wordt dat vonnis uitgevoerd zonder dat de verdachte weet had van een verdenking, zonder dat de verdachte verweer heeft kunnen voeren en zonder dat de verdachte beroep tegen het vonnis heeft kunnen aantekenen.

Bovendien gaat de tenuitvoerlegging gepaard met nogal wat sneuvelende omstanders. Ook dat is vanuit juridisch oogpunt niet fraai. Straf hoort schuldigen te treffen, niet onschuldigen. Moet de rechter voor deze nevenschade ook vooraf toestemming geven, bijvoorbeeld door per aanval een maximum te stellen voor het aanvaardbare aantal onbedoelde doden en gewonden?

Misschien is het beter om eerst een discussie ten principale te hebben over de legitimiteit van  ‘targeted killings’ voordat zij via een nieuw hof van een juridisch laklaagje worden voorzien.

Zie hier wat bijdragen voor die discussie:

Amnesty International, The devil is in the (still undisclosed) detail, februari 2013

Amnesty International, ‘Targeted killing’ policies violate the right to life, juni 2012

19

02 2013

China als vaandeldrager van mensenrechten

Hoe ziet de wereld er in 2030 uit? Niemand weet ‘t, velen hebben vermoedens. Bijvoorbeeld dat er andere grootmachten zijn. Maar welke? De BRICS worden vaak genoemd: Brazilië, Rusland, India, China. De ‘S’ waarop BRICS eindigt is soms een meervoud ‘S’, soms staat-ie voor Zuid-Afrika. BRICS is de bekendste, maar er zijn ook andere groepen opkomende economieën. Zoals MIKT die bestaat uit Mexico, Indonesië, Korea en Turkije.

De N11 is ook zo’n groep. Deze bestaat uit de MIKT-landen plus Bangladesh, Egypte, Iran, Nigeria, Pakistan, Filippijnen en Vietnam. Dit lijken misschien wat wilde rijtjes. Maar bedenk eens dat bevolkingsomvang een indicator is voor het economisch potentieel van een land (niet per se voor de huidige economische kracht). Bedenk daarbij dat bijvoorbeeld Nigeria in 2050 naar verwachting in de top vijf staat.

Het is niet zo’n vreemde gedachte dat over 40 jaar een land met 300 miljoen relatief jonge inwoners, rijk aan olie en andere grondstoffen en gelegen op een continent dat economisch groeit het beter zal doen dan een land met 16,5 miljoen vergrijzende inwoners op een economisch neergaand continent.

BRICS en MIKT zijn uitvindingen van Goldman Sachs. Het weekblad The Economist introduceerde een eigen rijtje opkomende economieën. En dan noem ik nog de E7 van PricewaterhouseCoopers: E7 = BRICS + MIKT – Korea – Zuid-Afrika.

De rijtjes verschillen onderling wel, maar niet veel. Bankiers, journalisten en accountantskantoren schetsen ons dus overeenkomstige toekomstbeelden als het om economische grootmachten gaat.

Wanneer zullen deze landen tot de gevestigde grote economieën gerekend worden? De voorspellingen verschillen, maar liggen meestal ergens tussen 2020 en 2050. Volgens PricewaterhouseCoopers zullen de E7 in de komende twintig jaar de G7 economisch inhalen. Natuurlijk zijn tegen die tijd de BRICs of zo’n andere groep niet alleen economische machten, maar ook politieke grootmachten. Dat gaat samen.

De staatshoofden van de BRICS (met de ‘S’ van Zuid-Afrika deze keer) houden sinds 2009 jaarlijks een eigen topontmoeting. En daar gaat het niet alleen over economie, maar ook over politiek.

Op de top in Delhi eerder dit jaar noemde de Chinese president Hu Jintao de BRICS een ‘stimulans voor de wereldvrede’. Over de Veiligheidsraad heb ik hem dat nooit horen zeggen. Op diezelfde top pleitten de vijf opkomende wereldleiders voor een dialoog met het Syrische bewind en waarschuwden zij het Westen geen oorlog te starten met Iran  vanwege ’s lands nucleaire ambities.

Naar analogie van de permanente leden van de Veiligheidsraad die bekend staan als de P5, kunnen wij de BRICS binnenkort aanduiden als de B5.

In de geschiedenis zijn vaker nieuwe grootmachten opgekomen en andere neergegaan. Eén van de vragen die dan speelt is of de nieuwe grootmachten het bestaande internationale systeem met de bestaande regels, normen en instituties overnemen of vervangen. Anders gevraagd: zijn de nieuwe machten slechts nieuwe spelers of zijn het zogenaamde ‘game changers’? Nieuwe spelers willen permanent lid worden van de Veiligheidsraad; ‘game changers’ negeren de Veiligheidsraad permanent.

Ook nu in de komende decennia de Atlantische wereld veel macht en invloed zal moeten afstaan is dat een belangrijke vraag. Zijn de B5 nieuwe spelers of ‘game changers’? Zelf zetten zij in op dat laatste. Ze zullen de regels van het internationale systeem willen veranderen.

Eén van die bestaande regels is de toenemende relativering van nationale soevereiniteit die het huidige internationale systeem sinds de oprichting van de VN heeft gekend. Het internationale mensenrechtenregime is daarvan een duidelijk voorbeeld.

Hoe staten binnen hun eigen grenzen met hun eigen burgers omgaan is tegenwoordig niet alleen meer hun eigen aangelegenheid. Schending van mensenrechten leidt tot internationale bemoeienis, van diplomatieke vragen tot ongevraagd gewapend ingrijpen.

Als in 2030 de B5 de spelbepalers in het internationale systeem zijn, is de kans groot dat zij terug willen naar een heel oude regel: géén inmenging in binnenlandse aangelegenheden, niet eens als het om Syrische toestanden gaat. Martelingen, ‘verdwijningen’, doodstraffen en oneerlijke processen zijn dan weer een kwestie van ‘lands wijs, ’s lands eer.’

Zo’n regel zou een spelbreker zijn voor de internationale bescherming van mensenrechten. Die leeft als het ware van inmenging, zij het bij voorkeur niet gewapende.

Als Nederland in zijn buitenlands beleid duurzame bevordering van mensenrechten voorstaat, dan zal niet alleen verbetering van de mensenrechtensituatie ín Rusland, ín China en ín India daarvan deel moeten zijn. Dat Nederlandse beleid zal ook een Russisch, Chinees en Indiaas buitenlands beleid moeten bevorderen waarin die landen mensenrechtenbescherming centraal stellen.

Internationale bescherming van de rechten van de mens vereist dat Rusland, China en India in de komende decennia de vaandeldragers van de mensenrechten worden. Dat is een misschien een raar idee, maar we zullen het serieus moeten nemen.

Een strategie voor deze doelstelling is er nog niet. Maar moet er wel snel komen. Echte Europese samenwerking op het terrein van buitenlands beleid is hiervoor een voorwaarde, maar zal niet voldoende zijn. Heel het diplomatieke, politieke en economische gewicht dat de lidstaten van Europese Unie in beginsel kúnnen samenbrengen zal nodig zijn. Als Brussel niet de motor wordt achter deze agenda, zal de internationale bescherming van mensenrechten in de komende decennia snel afkalven. Nederland zal op z’n minst moeten proberen de Europese partners hiervan te overtuigen. En om dat geloofwaardig te doen blijft een eigen zichtbaar en assertief  mensenrechtenbeleid noodzakelijk.

Duurzame en effectieve internationale mensenrechtenbescherming komt in 2030 uit Brussel, maar vooral Beijing en New Delhi, als Den Haag zich tot die tijd daarvoor inspant. Succes is niet verzekerd, maar het is het proberen waard.

(Column uitgesproken in het Grote Balie Buitenlanddebat op 30 augustus 2012)

31

08 2012

Buitenterritoriale doodslag

Bij zijn aantreden in 2009 zette president Obama het  beleid van geheime detenties en ‘versterkte’ ondervragingen van zijn voorganger onmiddellijk stop. Tortuur omwille van inlichtingen zou niet langer deel uitmaken van de Amerikaanse terrorismebestrijding. De VS zou weer binnen de kaders van het internationaal recht gaan opereren.

Amerika trots. Zijn bondgenoten blij, want die zaten een beetje in hun maag met die schijnverdrinkingen, schijnexecuties, gevangenenverkleedpartijtjes en onvriendelijke Duitse herders met wie sommige gedetineerden hun kennel een tijdje moesten delen.

Maar, zoals ik vaker heb betoogd op deze plek, schijn bedriegt. Dat ligt in schijns aard. President Obama zette misschien een punt achter Bush’ tortuurprogramma, maar lijkt helemaal niet te zijn teruggekeerd binnen de kaders van het recht.

Cijfers van het Bureau of Investigative Journalism in Londen duiden erop dat Obama buiten het territoir van de VS veelvuldig gebruik maakt van de opzettelijke doodslag van terrorismeverdachten, ook ver van enig militair slagveld. Bijvoorbeeld in Pakistan, Jemen en Somalië. De Amerikaanse aanslagen op vermeende terroristen met onbemande vliegtuigjes zijn inmiddels een begrip.

De Amerikaanse overheid heeft zicht het recht toegeëigend om zonder tussenkomst van een rechter en buiten situaties van internationaal gewapend conflict terrorismeverdachten opzettelijk te doden. In zeer uitzonderlijke situaties mogen overheden dat doen. Maar het lijkt erop dat onder Obama in het antiterrorismebeleid echte executies de plaats van schijnexecuties hebben ingenomen. Dat kwalificeert moeilijk als vooruitgang.

Eén van de bezwaren tegen het antiterrorismebeleid van president Bush was dat er nogal wat onschuldigen in het terroristendetentiesysteem van leger en CIA terecht kwamen. Bijvoorbeeld door persoonsverwisselingen of op basis van slecht inlichtingenwerk.

Het beleid van president Obama lijdt aan een zelfde euvel. Wie wordt getroffen door een buitenterritoriale doodslag terwijl hij niet het doelwit was, wordt geacht ook terrorist te zijn, tenzij en totdat het tegendeel wordt bewezen. Op die wijze lijkt de aanzienlijke nevenschade (dode onschuldige burgers) van aanslagen beperkt, maar het is een vreemde regel: ‘guilty until proven innocent’. Hopelijk wordt de strafrechtelijke evenknie van dit beginsel niet binnenkort deel van het Amerikaanse strafprocesrecht.

Een ander bezwaar tegen het beleid van George Bush was dat zijn strijd tegen het terrorisme op de idee steunde dat de VS wereldwijd in oorlog was met niet-statelijke gewapende groepen, waardoor naar believen van de Amerikaanse president op elk willekeurig moment elke plek ter wereld zonder aankondiging even een oorlogsgebied kon worden waar dan luttele minuten of uren het geldende recht opzij werd gezet en plotseling het oorlogsrecht van toepassing was.

Obama’s beleid steunt op dezelfde idee: als de president zegt het is daar en daar nu even oorlog, dan is dat zo. En daarmee kan letterlijk iedereen overal ter wereld van het ene op het andere moment veranderen van een drager van fundamentele mensenrechten in een vijand in een internationaal gewapend conflict of een toevallige voorbijganger die onwetend een oorlogsgebied (bijvoorbeeld een groentewinkel) binnenliep en daar als vermeende legitieme nevenschade het leven liet.

Waarom komt Obama weg met wat George Bush opbrak? Is het verveling, omdat iedereen, ook politici, na meer dan tien jaar is uitgekeken op de oorlog tegen het terrorisme? Is het de nog onverklaarde teflonfactor? Fouten lijken van presidenten als Obama, Reagan en Kennedy af te glijden zoals zij Bush, Nixon en Johnson aankleven. Of is het het verschijnsel dat wat omkeerbaar is, zoals onterechte gevangenschap, ons meer ergert dan wat onherstelbaar is, zoals onterechte doodslag?

Hoe dan ook, het antiterrorismebeleid van Barack Obama geeft goed beschouwd niet minder aanleiding tot bezorgdheid dan dat van George Bush. In dit recente rapport van Amnesty International leest u een paar details. Misschien interesseren die u nog wel.

26

06 2012

Echte mannen

Toen ik jaren geleden na een dag van onderhandelingen aan een toenmalige Russische VN-ambassadeur vroeg waarom hij een bepaald voorstel niet steunde, antwoordde hij: ‘There was no consensus in the room’. Rusland had zich graag bij een consensus aangesloten. Maar de consensus was er niet, want de Russische ambassadeur was de enige met een afwijkend standpunt geweest.

Het uitgestreken gezicht waarmee hij zijn stemgedrag verklaarde bleef mij jaren bij. Een klassiek staaltje onzindiplomatie, maar met verve gebracht. En namens een machtig land. Dat straalde de ambassadeur, die in mijn herinnering het rookverbod in het VN-hoofdkwartier consequent negeerde, graag uit.

Ik moest hieraan terugdenken toen de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergei Lavrov een paar dagen geleden verklaarde dat als het Syrische volk president Assad weg wil hebben, Rusland zo’n oplossing graag zal steunen. Actievoerders en andere optimisten denken dan al snel: Rusland beweegt; Assad verliest belangrijke politieke steun.

De vraag is wanneer weten Lavrov en zijn baas, Vladimir Poetin, dat het Syrische volk Assad weg wil hebben? Ik vermoed dat de heren dat weten zodra Assad vertrokken is. En geen seconde eerder.  Lavrov zegt dus eigenlijk: zodra president Assad vertrokken is zullen wij zijn vertrek aanvaarden. Dat lijkt mij geen doorbraak. Maar ik had het Lavrov graag zien zeggen. Live en van dichtbij.

Tot het zo ver is hoort de rest van de wereld van president Poetin en zijn minister van Buitenlandse Zaken vooral wat er niet zou moeten gebeuren in Syrië. Geen wapenembargo, geen sancties, geen verwijzing naar het Internationaal Strafhof, geen gewapend ingrijpen, geen regime change en ga zo maar door. Hooguit een conferentie. Misschien wel in Teheran. Verder niks.

Voor sommige van die ‘njets’ zijn ook nog redelijke argumenten te geven, waarmee ik niet wil zeggen dat Poetin en Lavrov daaraan veel tijd besteden.  Echte mannen argumenteren niet.

Maar alle ‘njets’ bij elkaar tellen niet op tot een politieke positie die van een verantwoordelijke grootmacht verwacht mag worden. Wat dan wel, Vladimir Poetin? Dat is de vraag. Wat dan wel?

Moet in Syrië het moorden en martelen gewoon doorgaan? Moeten de lukrake beschietingen van burgers worden aanvaard als waren zij niet te stuiten dodelijke hagelbuien?  Worden ‘verdwijningen’ facts of life waaraan de Syriërs gewoon moet wennen? Moet Syrië maar ten onder gaan in een burgeroorlog uitgevochten met menselijke schilden?

Dat de soevereiniteit van Syrië niet geschonden mag worden is, wat men van die stelling ook vindt, nog geen begin van een antwoord. Het toont slechts de gemakzucht van de macht om daarmee te volstaan.

En het is aan de rest van de wereld om de gemakzuchtigen daarmee niet te laten weg komen. Gewoon door telkens, elke dag en elk uur opnieuw, te vragen: wat dan wel, Vladimir Poetin? Wees een vent en geef eens antwoord.

12

06 2012

Rosenthal en de receptorbenadering

Wie aan Uri Rosenthal denkt, denkt aan veiligheid en welvaart. Dat waren, zo zei hij bij zijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken, de pijlers van zijn beleid. Vanuit de Tweede Kamer en andere gremia werd de kersverse minister eraan herinnerd dat mensenrechten ook daartoe gerekend moesten worden. Een beetje mokkend heeft hij dat toen maar gedaan. Inmiddels is hij de wereldwijde promotor geworden van een volgens hem  nieuwe kijk op mensenrechten: de receptorbenadering.

Afgelopen week ontvouwde de minister deze nieuwe kijk op mensenrechten aan Ken Roth, de directeur van Human Rights Watch, die even op bezoek was in Nederland. Op een bijeenkomst in het Amsterdamse debatcentrum De Balie noemde Roth de receptorbenadering  later ‘a theory under construction’. Het leek mij een beleefde  karakterisering.

Wat is de receptorbenadering? Dat weet eigenlijk niemand, want veel staat er niet over op papier. Maar er lijken een paar kernideeën in te zitten. Ten eerste, mensenrechten moeten bevorderd worden zonder opgeheven vingertje; Nederland moet niet meer betuttelend door de wereld trekken. Ten tweede, mensenrechten kunnen het beste bevorderd worden door lokale actoren, niet door buitenlandse critici. De ontvangers (receptors) staan centraal, niet de zenders van de boodschap. Ten derde, mensenrechten hoeven niet altijd via juridische wegen en via toekenning van juridisch afdwingbare rechten nageleefd te worden.

Dat van dat vingertje is natuurlijk malligheid. Het is armetierige geschiedschrijving om decennia van mensenrechtendiplomatie te reduceren tot Nederlandse ambtenaren die, al dan niet met tropenhelm op, vermanend door de wereld trekken. Die diplomatie heeft in werkelijkheid veel bijgedragen aan het ontwikkelen van mensenrechtenstandaarden en van internationale èn nationale toezichthoudende  instanties. Daarnaast heeft die diplomatie ook veel gedaan om te bevorderen dat lokale actoren en instituties een rol kregen bij de bescherming en bevordering van mensenrechten. De eerste twee ideeën zijn alleen maar nieuw in vergelijking met een karikatuur van de werkelijkheid.

Het idee dat mensenrechten ook vervuld kunnen worden op andere wijze dan door juridisch afdwingbare rechten toe te kennen is wellicht waar, maar geen reden om van die rechten af te zien. Natuurlijk is het mooi als mensenrechten aansluiten bij lokale waarden en tradities, maar de geschiedenis van de rechten van de mens (vaak een geschiedenis van emancipatiebewegingen) is ook voor een groot deel verzet tegen bestaande waarden, structuren, machten en gebruiken. Enige rechtsbescherming is, op z’n zachtst gezegd, daarbij vaak welkom.

Een theorie onder constructie?  In ieder geval een met behoorlijk instortingsgevaar. Wel leuk om over te praten op diplomatenborrels. Misschien is ‘receptiebenadering’ voorlopig een betere naam.

Ik heb ook wel eens gehoord –de receptorbenadering is tot nu toe vooral een mondeling overgedragen theorie – dat volgens voorstanders van deze theorie het opgeheven vingertje vooral een goed diplomatiek middel zou zijn jegens ‘wrede regimes’, een term die in het denken van Rosenthal verwijst naar landen als Iran en Noord-Korea. China viel, geloof ik, niet in deze categorie. Niet-wrede regimes die mensenrechten  op grote schaal aan hun laars lappen zouden goede doelwitten zijn voor de wat regime-vriendelijkere receptorbenadering.  

Dat deed mij denken aan de voormalige Amerikaanse VN-ambassadeur Jeane Kirkpatrick. Zij maakte in de jaren tachtig van de vorige eeuw een onderscheid tussen autoritaire en totalitaire regimes. Foltering door de eerste was  minder erg dan door de tweede. De autoritaire regimes waren toevallig ook vrienden (Argentijnse generaals), de totalitaire waren vijanden (de Sovjet-Unie).

05

02 2012

Obama, Guantánamo en de toekomstige verleden tijd

Op 11 september is er niet een oorlog uitgebroken maar een misdaad gepleegd –en wel van immense omvang. Met misdadigers voer je geen oorlog. Ze moeten worden vervolgd en berecht, kost wat kost.’ Dit schreef Elsevier-columnist Bart Tromp op 22 september 2001. Hij constateerde ook dat president Bush op dat moment nog geen keuze had gemaakt tussen het inzetten van rechterlijke of militaire macht. In de dagen na de aanslagen in New York en Washington had de president zowel gesproken over het berechten van de misdadigers als over ‘het winnen van deze oorlog’.

De observatie van Tromp was correct en is dat tot vandaag gebleven. Zeker op Guantánamo, het militaire detentiekamp dat op 11 januari 2002 zijn poorten, of beter gezegd: hekken, opende en waar tien jaar later nog steeds 171 gedetineerden gedwongen verblijven, zonder uitzicht op proces of met uitzicht op de doodstraf na een oneerlijk proces voor een militaire commissie. Happy New Year!

Ja, dat zijn er een stuk minder dan de 779 die ooit tijd in Guantánamo doorbrachten, maar het zijn er 171 meer dan president Obama de wereld in januari 2009 deed geloven toen hij zei het militaire detentiekamp binnen een jaar te willen sluiten en de VS te willen laten terugkeren naar de rule of law, bijvoorbeeld door verdachten gewoon door federale rechters te laten berechten. De opvolger van president Bush bleek in de bestrijding van internationaal terrorisme in de loop der jaren steeds meer een navolger van Bush. Misschien tegen wil en dank, maar dat verandert niet veel aan de feiten.

Neem Mohammed al-Qahtani. Hij verblijft al sinds 13 februari 2002 op de Amerikaanse marinebasis op Cuba. Een echte Guantánamoveteraan dus, die nog heeft meegemaakt dat een cel niet veel meer was dan een hondenhok. Al-Qahtani zou eerst worden berecht door een militaire commissie, maar daar zagen de autoriteiten vanaf omdat hij gemarteld zou zijn, waardoor zijn verklaringen onbruikbaar waren, zelfs voor de naar gewone maatstaven karige rechtsbedeling die de Amerikaanse autoriteiten op Guantánamo gewoon zijn. Ik geloof trouwens niet dat die martelingen ooit tot een proces tegen een vermeende folteraar hebben geleid, hoewel foltering een misdrijf is, ook onder Amerikaans recht ten tijde van president Obama.

Binyam Mohammed kwam wel vrij uit Guantánamo. Hij werd in 2002 in Pakistan opgepakt en verbleef, voordat hij in Guantánamo terecht kwam, anderhalf jaar in geheime detentie in Marokko, daarna nog een paar maanden in CIA-detentie in Kabul en op de Amerikaanse luchtmachtbasis Bagram (Afghanistan). Een Amerikaanse rechtbank stelde in 2009 vast dat hij in detentie was gemarteld. Ook de folteraars van Binyam Mohammed worden vooralsnog niet opgespoord. Om redenen van staatsveiligheid wordt hem tevens een civiele rechtsgang tegen de staat ontzegd. Geen schadevergoeding dus voor Binyam Mohammed. Nog een staaltje van karige rechtsbedeling.

President Obama wijt het niet sluiten van Guantánamo aan een tegenwerkend Congres. Maar aan wie wijt de president het uitblijven van vervolging van folteraars en ontvoerders door de Amerikaanse justitie? En wie is sinds januari 2009 verantwoordelijk voor het verhinderen van rechtsherstel voor wie ooit onterecht vast zat op Guantánamo of in een CIA-gevangenis?

Keer op keer hebben Obama en de zijnen gezegd: het is tijd om vooruit te kijken, niet achteruit. Hun inzet was vanaf het begin om Guantánamo sluiten en verder het verleden te laten rusten. Drie jaar later is Guantánamo nog open en liggen er vooral herdenkingen in het verschiet. Morgen is het tien jaar geleden dat de eerste ‘terrorismeverdachten’ op Guantánamo aankwamen. In kranten, op radio, televisie en internet zal er worden teruggeblikt. In april 2014 zal het tien jaar geleden zijn dat het nieuws en de foto’s van de foltering van gevangenen door Amerikaanse militairen in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak de wereld rondgingen. Ook een gedenkwaardige gebeurtenis. In september 2016 zal het tien jaar geleden zijn dat president Bush in een toespraak erkende dat de VS, met Europese handlangers, zich schuldig had gemaakt aan het internationale misdrijf van ‘verdwijning’, natuurlijk zonder het misdrijf uitdrukkelijk te noemen. Nog een mooi moment om weer even terug te blikken en stil te staan bij het feit dat ontvoerders en folteraars dan nog steeds vrij rondlopen.

Als president Obama het Amerikaanse volk na 20 januari 2013 nogmaals zou mogen dienen, zal hij, ook in zijn tweede termijn, vooruit kijkend telkens Guantánamo aan de horizon zien verschijnen. Met als apotheose, net voor zijn aftreden in januari 2017: vijftien jaar Guantánamo. Thank You and Goodbye, Mr. President!

10

01 2012

Vaclav Havel (1936 – 2011), Amnesty-klant

Vaclav Havel is dood. Hij was jarenlang een ‘Amnesty-klant’, om een uitdrukking van de Amsterdamse oud-hoogleraar strafrecht en voormalig Amnesty-bestuurder Frits Rüter te gebruiken. Havels bezwaren tegen de communistische heerschappij in Tsjechoslowakije brachten hem meer dan eens voor de rechter en achter tralies. De laatste keer dat de dissident Havel leden van een rechtbank toesprak was op de eerste lentedag van 1989 bij een Hof van Beroep. Hij kreeg een gevangenisstraf van acht maanden (een maand minder dan hem in eerste instantie was opgelegd) omdat hij een herdenking had bijgewoond van de zelfverbranding van Jan Palach, een Tsjechoslowaakse Bouazizi. Nog voor het jaar om was, was Vaclav Havel president.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw bracht hij enkele jaren in gevangenschap door. Dan werd hij geadopteerd als gewetensgevangene door Amnesty International en ijverden Amnesty-groepen voor zijn onmiddellijk en onvoorwaardelijke vrijlating.

Bij Amnesty vinden we dat tegenwoordig neerbuigend klinken: ‘geadopteerd’. Het riekt naar slachtofferschap en we leggen liever de nadruk op de kracht van mensen, ook als zij slachtoffer zijn. Kwestie van communicatie. Maar die Amnesty-activisten in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw deden helemaal niet neerbuigend over Vaclav Havel. Hij was waarschijnlijk veeleer voor hun een inspirator. In Vaclav Havel herkenden zij hun eigen ideeën over activisme en mensenrechten waarin ‘dissident’ het sleutelwoord was, niet ‘oppositie’ of ‘vrijheidsstrijder’. De historicus Samuel Moyn heeft dat mooi beschreven in zijn boek The Last Utopia –Human Rights in History.

Havel verwoordde wat dissidentie inhield in zijn klassieke essay over Charta ’77, ‘Poging om in de waarheid te leven, de macht van de machtelozen’. Als alternatief voor het post-totalitaire systeem waarin hij leefde hield hij zijn lezers geen nieuwe utopie voor, maar een anti-utopie: een protest van kleine stappen en van moreel verzet tegen politieke almacht, verwijzend naar geldend recht en internationale verdragen en overeenkomsten. Geen geweld, geen revolutie, geen visioen van een paradijs op aarde en geen keuze in een simpele Oost-West-tegenstelling. (Over die term ‘post-totalitair’ schreef hij: ‘Ik wil met dat voorvoegsel ‘post-’ niet impliceren dat het systeem niet meer totalitair zou zijn; integendeel, ik bedoel dat het totalitair is op een wijze die fundamenteel verschilt van de klassieke dictaturen.’)

Zijn essay verwoordde niet alleen wat er in Tsjechoslowakije onder dissidenten leefde, maar zal ook herkenbaar geweest zijn voor menig dissident in of uit de toenmalige Sovjetunie. En de huidige Chinese dissidenten van Charta ’08 die om bescheiden juridische verbeteringen vragen (en een bron van Westers ongemak zijn in de tegenwoordig warme banden met de Communistische Partij van China) laten geen twijfel over hun inspiratiebron bestaan.

Moreel verzet tegen politieke almacht. Dat was wat Vaclav Havel bood. De dood van Vaclav Havel, schrijver, gewetensgevangene, slachtoffer en inspirator, markeert misschien ook wel het einde van een anti-utopisch tijdperk in de wereldwijde mensenrechtenbeweging. We zullen, vrolijk werkend aan een betere wereld, misschien nog weleens aan hem denken.

Vandaag werd ook bekend dat Kim Jong-Il, de communistische leider van Noord-Korea, is overleden. Hij was nooit een Amnesty-klant en zeer waarschijnlijk geen lezer van Havel, volgens wie hij in een leugen leefde.

19

12 2011

Hommeles in Haagse Strafhoftent

Terwijl in Tripoli de zaak in kannen en kruiken leek, ontplofte er een bommetje in de Strafhoftent aan de Maanweg in Den Haag. Aanklager Ocampo deed goede zaken in Tripoli, maar het waren volgens de rechters in Den Haag zijn zaken niet. Inzet is nog steeds: wie zal Saíf al-Islam berechten, een Libische rechtbank of het Internationaal Strafhof (ICC)? Ocampo leek met Libische autoriteiten overeenstemming te hebben bereikt over vervolging in Libië. Is hij op de stoel van de rechter gaan zitten?

Dat vinden de rechters van het ICC die de zaak Saïf al-Islam behandelen wel. Na Ocampo’s optreden in Tripoli lieten zij daarom fijntjes per persbericht het volgende weten: een besluit over voortzetting of sluiting van de zaak-Saïf al-Islam door het ICC is de exclusieve bevoegdheid van de rechters.

En om te verzekeren dat iedereen –inclusief de aanklager– de boodschap krijgt, voegen zij eraan toe:

In accordance with Resolution 1970, adopted unanimously by the United Nations Security Council on 26 February 2011, the Libyan authorities have the obligation to cooperate fully with the Court. On 5 July 2011, a request for cooperation with regard to the surrender of the suspect was notified, together with the warrant of arrest, to the Libyan authorities.

Should the Libyan authorities wish to conduct national prosecutions against the suspect, they shall submit a challenge to the admissibility of the case before Pre-Trial Chamber I, pursuant to articles 17 and 19 of the Rome Statute of the ICC. Any decision on the admissibility of a case is under the sole competence of the Judges of the ICC.

Zolang de Libische autoriteiten geen verzoek doen bij de rechters van het ICC om de vervolging van Saïf al-Islam te staken (bijvoorbeeld omdat hij in Libië zal worden berecht) gaat die vervolging door het ICC gewoon door. Zo lang die vervolging doorgaat is Libië op grond van een unaniem besluit van de Veiligheidsraad verplicht medewerking te verlenen met het Hof en daarmee verplicht om uitvoering te geven aan een verzoek van het Hof tot overdracht van de verdachte. Doet Libië dat niet, dan negeert het nieuwe Libische bewind een Veiligheidsraadbesluit, lijkt de redenering van de rechters te zijn.

Een conclusie die de rechters niet uitdrukkelijk vermelden, maar die wel lijkt voort te vloeien uit wat zij zeggen, is dat alle staten die de (onwettige of vermeende) overeenkomst tussen Ocampo en de Libische autoriteiten steunen zich keren tegen een dwingend Veiligheidsraadbesluit.

Er zijn landen die de internationale rechtsorde, waarvan de VN, de Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof belangrijke pijlers zijn, hoog in het vaandel hebben. Nederland is zo’n land. We zullen vast binnenkort een stevig Nederlands standpunt horen over hoe dit nou zit met het Hof, de aanklager en Saïf al-Islam.

24

11 2011

Een eerlijk proces voor Saif al-Islam?

Nog niet zo lang geleden zocht de aanklager bij het Internationaal Strafhof (ICC) kolonel Kadhafi en zijn zoon Saif al-Islam. Vanwege misdrijven tegen de menselijkheid gepleegd sinds februari 2011. Ze zijn inmiddels gevonden. De eerste dood, de tweede levend. Aanklager Louis Moreno-Ocampo, verzocht de zaak tegen de kolonel te sluiten en gisteren (22 november 2011) bewilligde het ICC daarin. Doden worden niet vervolgd. De aanklager lijkt ook de zaak tegen Saif al-Islam te sluiten. Hij kan volgens Ocampo, zo zeiden de berichten, door een Libische rechtbank worden berecht, mits dit gebeurt in overeenstemming met ICC-standaarden.

Dat is een interessante term, ‘ICC-standaarden’. Die term heeft waarschijnlijk geen betrekking op de straf die Saïf al-Islam te wachten kan staan. Het ICC kan geen doodstraf opleggen, een Libische rechtbank kan dat wel. Er is weinig reden om te vermoeden dat het Strafhof zal protesteren tegen een doodstraf die onder nationaal recht als wettig wordt beschouwd. Dat is niet de taak van het Hof. Dus daarmee hebben die standaarden waarschijnlijk niets te maken.

Wat is wel de taak van het ICC? Straffeloosheid bestrijden. Iets preciezer: ervoor zorgen dat verdachten van volkenmoord, misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdrijven effectief berecht worden. Volgens de ‘ICC-standaarden’ mag een Libisch proces tegen Saïf al-Islam dus niet bedoeld zijn om hem aan werkelijke berechting te doen ontkomen. Het Hof laat, volgens de regels van zijn Statuut, berechting over aan nationale autoriteiten als die daartoe bereid en in staat zijn. Meent het Hof dat nationale berechting een farce is, slechts bedoeld om verdachten uit handen te houden van internationale rechters, dan neemt het Hof de berechting op zich.

Er is weinig reden te vermoeden dat de huidige Libische machthebbers Saïf al-Islam van werkelijke berechting willen vrijwaren. Wat dat betreft zullen zij zich wel volgens ICC-standaarden gedragen.

Krijgt Saïf al-Islam ook een eerlijke berechting, omkleed met dezelfde waarborgen die hij bij het ICC zou mogen verwachten? Er zijn redenen om daaraan te twijfelen. Het Libische rechtssysteem heeft de laatste decennia niet bepaald naam gemaakt als een fijnmazig net van rechten, regels en waarborgen ten faveure van verdachten. Maar net als de toedeling van straf valt de eerlijkheid van de berechting door de Libische justitie waarschijnlijk buiten het toetsingskader dat de aanklager bedoelt met ‘ICC-standaarden’. Aanklager en rechters bij het ICC zijn er niet om toe te zien op een eerlijke nationale rechtsgang. Zij zullen zich, op grond van het Statuut, hooguit een oordeel vormen over de effectiviteit van de nationale rechtsgang.

Over een eerlijk, onpartijdig proces voor Saïf al-Islam zal dus iemand anders moeten waken. Als straks alle buitenlandse ambassades in Tripoli weer aan het werk zijn, wordt het tijd voor ouderwets mensenrechtenwerk: proceswaarneming. ‘t Zal mij benieuwen of Saïf al-Islam dan op Uri Rosenthal kan rekenen.


23

11 2011

Over Mensenrechten Vandaag

Op dit weblog schrijven Amnesty-medewerkers over mensenrechten. Over Amnesty-rapporten en actuele gebeurtenissen. Over wat er in het nieuws is, en wat in het nieuws zou moeten zijn.

 
Mensenrechten Vandaag draait op WordPress MU. Gebaseerd op Yashfa ver. 1.7 door WP GPL
Entries (RSS) and Comments (RSS).